Details
1 cd
Stem: Man
Besprekingen
De Volkskrant
In een vervallen schuur op La Gomera, waar hij is om zijn bijna failliete huwelijk te redden, vindt Maris Coppoolse een oud stuk gereedschap. De houten steel vertoont donkere plekken van het zweet van vroegere gebruikers dat erin is getrokken. Onbewust kijkt hij in een spiegel: ook hij is getekend door wat er in een ver verleden met hem is gebeurd.
Maris is de protagonist in Zwarte schuur, de roman van Oek de Jong. Als een beschadigde en gekwelde figuur wankelt hij door dit boek, vechtend tegen sporen die één middag in hem achterlieten. 14 was hij en het noodlot voltrok zich op een schuurzolder op het Zeeuwse eiland waar hij opgroeide. Hij was er met het meisje Matty, dat hem tegen zijn zin uitdaagde en hem, toen hij niet op haar avances inging, vernederde met woorden. In drift, een impuls, gaf hij haar een duw, waardoor ze van de zolder viel en op de vloer van de schuur haar nek brak. Een dodelijke val, die Maris' leven fundamenteel ontwricht.
'De herinneringen vervagen niet. Ze zijn er altijd', zegt hij decennia later. Ze blokkeren hem in relaties, in geluk, in 'leven'. Hij ervaart wat Henrik Ibsen ooit schreef: 'Ieder mens heeft een lijk aan boord: zijn verleden.' Het verleden is als een druppelende, lange ijspegel aan een dakgoot, irritant tikkend.
Maris Coppoolse herinnert aan getormenteerde personages uit de naturalistische/psychologisch-realistische romans van rond 1900. Ook hij heeft geen mentale bewegingsvrijheid, is gedetermineerd door aanleg, afkomst en ervaringen, en vecht tegen aard en verleden.
Maar anders dan in die vroegere romans gaat Maris niet ten onder. Hij komt, als in een klassiek drama - vijf delen telt de roman -, tot een katharsis. Meer dan veertig jaar heeft hij in een mentale gevangenis geleefd, maar uiteindelijk wenkt de oneindigheid van het bestaan. Dat geldt ook voor zijn eveneens beschadigde vrouw Fran.
Zwarte schuur is doordesemd van de doem van het verleden. Met subtiele, bijna onopvallende details herinnert Oek de Jong aan de kwelling van herinneringen en het gevecht daartegen. Als Maris aan de kust de golven met doffe dreunen hoort breken, vraagt hij in zijn hotel om oordopjes, 'maar die hadden ze niet'. De golven blijven beuken.
De Jong rekent in zijn roman af met de modieuze opvatting dat het leven overwegend maakbaar zou zijn. Kijk naar Maris Coppoolse, zegt hij impliciet, hoe aanleg en omstandigheden hem kneedden en beschadigden. Het enige wat wij kunnen doen is daarmee leven, en met een dosis wilskracht, liefde en moed - Maris gaat de confrontatie met de giftige broers van het dode meisje succesvol aan - is het mogelijk ons tot op zekere hoogte van onszelf te bevrijden. Niets van wat ooit is gebeurd, kunnen wij volledig uitgummen, hanteerbaar maken om door te leven kan wel. Maakbaarheid met littekens.
Zwarte schuur heeft nog veel meer te zeggen. Het is een roman over schuld en boete, de onkenbaarheid van de mens, dood, existentiële eenzaamheid, noodlot, vergankelijkheid, seks als genot en troost, de liefde als mysterie, loutering, de kracht en zwakte van herinnering. Grote klassieke thema's, zeker. Ik geneer me niet ze te noemen. Oek de Jong heeft ze in deze roman opnieuw inhoud en glans gegeven. Hij is niet altijd een groot stilist, maar wél een begenadigde plastische verteller met inzicht in de menselijke psyche en oog voor sublieme details. Die verrassen, ontroeren, zetten aan het denken - en dwingen bewondering af. Zwarte schuur heeft alles in zich een klassieker te worden. De Nederlandse literatuur is verrijkt met een gepijnigd én gelouterd personage: Maris Coppoolse.
****
Atlas Contact; 496 pagina's; € 24,90.
Knack
Op het eerste gezicht is het leven van Maris Coppoolse een succes. Op zijn 59e behoort hij tot de wereldwijde top tien van de schilderkunst. In het Amsterdams Stedelijk Museum gaat een overzichtstentoonstelling van zijn werk van de laatste 35 jaar van start en zowel The Guardian als The New York Times zijn geïnteresseerd. Maar onderhuids broeit er wat. Zo zit er duidelijk sleet op zijn twee decennia oude relatie met Fran, die wat nukkig naast hem de trappen van het museum op loopt, en wie is toch die schichtige journalist die met heel wat mensen een praatje gaat maken? Een week later weet iedereen het, wanneer in de coverstory van een weekblad de bron van Maris’ artistieke kunnen wordt blootgelegd. Op zijn veertiende duwde hij een meisje van de hooizolder van een zwartgeteerde schuur. Of was het een ongeluk, zoals hij altijd heeft volgehouden?
Oek de Jong, de auteur van het met de Gouden Uil bekroonde Pier en oceaan , duikt in zijn nieuwste roman in de krochten van de geest van Maris. Hoe heeft de dood van Matty, zoals het meisje heette, hem gemaakt tot de man die hij is? Welke invloed heeft zijn levenslange schuldgevoel op zijn privéleven gehad en, vooral, in welke mate heeft het zijn relaties met vrouwen getekend?
De Jong is de man van de haarscherpe observatie, die zijn verhaal opluistert met precies de juiste details. Zwarte schuur is enerzijds een zintuiglijk boek, waarbij erotiek en seks – of net het gebrek eraan – belangrijke drijfveren blijken voor de personages. Anderzijds houdt De Jong die personages ook heel strak in de hand. Dat dit nergens geforceerd of nep aanvoelt en je als lezer helemaal meegaat in hun vrijheid in de bepaaldheid, is een teken van meesterschap. ‘Mag ik op je hand plassen?’ vraagt iemand in een cruciale scène. Lijkt misschien raar, maar De Jong heeft je tegen dan al zo ver binnengeleid in zijn Zwarte schuur , dat je samen met Maris ‘Ja, doe maar’ zou willen antwoorden.
****
Atlas Contact, 495 blz., € 34,99 (hc) / € 24,99 (sc).
NBD Biblion
Trouw
Sinds zijn eerste roman 'Opwaaiende zomerjurken' schrijft Oek de Jong bij voorkeur over gevoelige, kwetsbare, kunstzinnige mannen die gekweld maar ook verrukt worden door dierbare herinneringen aan vroeger, aan thuis, aan het land waar ze opgroeiden (meestal Zeeland), aan eerste erotische ervaringen en liefdes. Indertijd kwam er, bij monde van literatuurhoogleraar Ton Anbeek, nogal wat commentaar op deze sensitieve, introverte personages; Anbeek wilde dat ze, in navolging van helden uit de Amerikaanse literatuur, streetwise werden, avontuurlijker, extraverter, deelnemers aan de grote wereld.
En al is de Nederlandse literatuur sinds de jaren zeventig, waarin De Jong debuteerde, grosso modo inderdaad brutaler en aardser geworden, Oek de Jong bleef zichzelf, in al zijn hoofdpersonen. Ook in zijn jongste roman 'Zwarte schuur'.
Maris Coppoolse, geslaagd schilder, wordt geplaagd door een trauma uit zijn jeugd, als veertienjarige; de dood van een vriendinnetje Matty met wie hij zijn eerste erotische ervaring zou hebben in een boerenschuur. Was het een ongeluk? Moord? Oek de Jong laat Maris het hele verhaal vertellen maar het is zíjn versie, de broers van Matty denken er heel anders over, ook jaren na dato nog.
Op zichzelf heeft zo'n overduidelijk jeugdtrauma haast iets banaals, allerlei schrijvers schermen er tegenwoordig mee, alsof je niet volwassen kunt worden zonder een aangrijpende jeugdherinnering, maar De Jong geeft zijn thema de nodige diepgang mee. Door het hele verhaal heen (en ook 'Zwarte schuur' is op het eerste gezicht vooral een epische vertelling, over een man in wording) voel je het schemeren van grotere menselijke oerinstincten: agressie, erotiek, perversiteit. Hoe intelligent, gevoelig en neurotisch zijn personages ook zijn, De Jong maakt altijd subtiel duidelijk dat grotere krachten dan alleen zijn verstand de mens bewegen.
In het geval van Maris is dat vooral drift. Matty is er het slachtoffer van, maar ook andere vrouwen in zijn leven worden er mee geconfronteerd, het is drift uit een soort schaamte, verlegenheid, aarzeling. Het is de onbeheerste reactie op de mislukte poging jezelf te beheersen. Het is een boze macht waaraan je ten prooi kunt zijn. En daarnaast is er de erotiek, nooit helemaal zuiver en mooi, maar ook verminkt, vermengd met levens- en doodsverlangen.
Maris, de schilder, wordt aangetrokken door schoonheid maar nog meer door mismaaktheid, hij schildert de door polio verlamde Manuela, heeft een verhouding met de uitgemergelde junk Ilse, is (net als de hoofdpersoon uit Huysmans' bezeten roman 'Là bas' trouwens) gefascineerd door de gemartelde Christus van Grünewalds Isenheimer Altaar, door de oorlogsfoto's van zijn stiefdochter Stan, dochter van zijn vrouw Fran; het lijkt of hij alle uitwassen van het leven tot zich wil laten doordringen, in een poging zijn eigen verminkte ziel onder ogen te komen: "'Ik voel me verbonden met iedereen die verminkt of misvormd is.' Hij zei het vol woede en legde op de woorden 'verminkt' en 'misvormd'de grootst mogelijke nadruk, hij spuwde ze uit. Zelfs door Fran voelde hij zich nu niet begrepen, afgewezen. Hij omklemde zijn glas - wat haar niet ontging - maar liet het los. Een tijdlang zat hij voorovergebogen, met zijn ellebogen op zijn bovenbenen, en liet zijn hoofd hangen. Hij wierp een blik op de bergplanten op tafel. De planten met hun sierlijke en verfijnde vormen leken Frans subtiele innerlijke wereld te verbeelden. Hij was maar een bruut."
Zo doet De Jong dat, als een schilder die niet alleen aandacht heeft voor de grote dramatische momenten maar ook voor de details, de onvermoede en onbedoelde context, de planten op tafel tijdens een emotionele uitbarsting. Dat maakt dat al die heftige emoties opgaan in een tapijt van andere gewaarwordingen, ze zijn organisch met elkaar verbonden.
Dat is dunkt me de kracht van Oek de Jong, dat hij het leven weet te beschrijven in al zijn ruwheid en onbehouwenheid maar ook in zijn ingekeerdheid en schoonheid. Het verhaal dat hij er in 'Zwarte schuur' omheen plooit, van het moeizame huwelijk tussen Maris en Fran, van Maris' obsessie voor allerlei, niet zelden krachtige en opportunistische vrouwen, van onverwachte ontmoetingen en confrontaties, is zijn zoveelste verbeelding van het menselijk tekort, dat toch ook de menselijke schoonheid is. Het kleurt ook de psychologisch niet helemaal verklaarbare plotse toenadering aan het eind tussen Maris en Fran (waardoor getriggerd? Omdat Maris uitdagend met Albertina en Manuela omgaat?), het leven is nu eenmaal ongerijmd. Ook die ongerijmdheid zet Oek de Jong in de verf. Niets is bij hem eendimensionaal, ook schoonheid niet, hij kijkt met een schildersoog: "Op het strand keek hij naar Fran terwijl ze de zee in liep. Hij vond haar mooi, en mooi wilde voor hem altijd zeggen: karakteristiek."
Oek de Jong probeert als schrijver steeds iets van het levensgeheim en de ziel der mensen te ontraadselen of althans weer te geven. Hoewel zijn hoofdpersonen daarbij soms op het randje van overgevoeligheid balanceren zijn het geen kwezels, daarvoor zijn hun affecten te sterk en te authentiek, hun innerlijke levens te rijùk en te getormenteerd.
De meest ontroerende zin in het hele boek vond ik ergens verscholen tussen allerlei gebeurtenissen en verwikkelingen, als Maris in het water staart en er staat: "Er was een oneindigheid in de dingen, plotseling." Het zijn dat soort oceanische ervaringen die Oek de Jong zonder schaamte oproept en benoemt, dwars door alle oppervlakte en avontuur heen. Een haast religieuze ervaring. Je kunt er niet goed de vinger op leggen en dat is maar goed ook, het doordesemt het hele boek, de rampzalige gebeurtenissen evengoed als de sensuele momenten. En dat zijn de meest memorabele boeken, die waarvan je het geheim niet ontraadselt.